Daar zitten we dan, met ons tweetjes, Cute en ik, op een handdoek op de parking. Iets te vroeg voor onze afspraak. Zachtjes fluister ik lieve woordjes in haar zachte vacht, vertel haar dat ze straks lekkere coq-au-vin zal eten, en haal herinneringen op aan die keer in dat grote bos, toen ze met de verkeerde familie meehuppelde. Mensenschuw? Allerminst. Haar populariteit kent geen grenzen: haar lieve snoet doet elke voorbijganger smelten. Vandaag is geen uitzondering.
Van bovenaf observeert een vrouw hoe ik in kleermakerszit Cute aai. Ik ben me er nauwelijks van bewust. Waarom zou ik ook? Het is tien uur ’s ochtends, auto’s rijden af en aan, een dag zoals alle andere. Maar voor ons staat de wereld even stil.
"Heb je hulp nodig?" hoor ik plots iemand vragen. Een vrouw in pyjama kijkt bezorgd over de lage struiken die de drukke weg scheiden van de parking. Ik kijk op, en alles lijkt in slow motion te gaan. Mijn hersenen kunnen de vraag amper vatten, laat staan ontleden, maar mijn glazige ogen verraden mijn moedeloosheid. "Hulp... met het hondje?" vraagt ze voorzichtig.
Nog voor ik mijn stem kan schrapen, komt de volgende vraag: "Is ze ziek?" Heeft ze de link gelegd met de dierenartspraktijk recht tegenover de parking, of is ze helderziend?
"Kanker." Eindelijk is het moeilijkste woord gezegd. Tranen volgen. "Volledig uitgezaaid," voeg ik toe. Het heeft geen zin meer om me sterk te houden. Ik trek Cute nog dichter tegen me aan, en de vrouw in pyjama probeert haastig door de dichte haag te komen, om dichterbij te zijn. Dikke tranen rollen over mijn wangen en verdwijnen geruisloos in de grijze klinkers achter mijn auto.
"Is er echt niets meer aan te doen?" vraagt ze zacht. "Ze heeft zo’n ontzettend lief snoetje."
Ik schud mijn hoofd, voel me met de minuut slapper worden. "Ik zal het wel doen," had ik thuis nog zelfverzekerd gezegd. Maar nu vraag ik me af of die kracht in de auto is achtergebleven.
"Niets meer aan te doen," prevel ik uiteindelijk. "Het moment is gekomen."
De vrouw, die ik onmogelijk nog zou herkennen, behalve aan haar roze peignoir, wil ons nu in alle rust alleen laten. "Mag ik nog vragen hoe het hondje heet?"
"Cute… dat betekent 'schattig' in het Engels."
"Oh, ja natuurlijk!"
Net op tijd stapt mijn sterkere alter ego uit de auto, en begin ik te vertellen. Het voelt bizar dat je in zo'n moment lief en leed deelt met een wildvreemde. Mochten de omstandigheden anders zijn, zou je bijna spreken van een gezellige parkingklets.
De dierenarts komt inmiddels aangesneld, de steenweg en het struikgewas over. Auto’s vertragen. Ook zij lijkt bezorgd over mijn mentale weerbaarheid. "Zal ik Cute voor je dragen?" biedt ze aan.
"Nee, ik ben er klaar voor," zeg ik, mezelf moed inpratend. "Als je het vaak genoeg zegt, ga je het geloven," denk ik.
Met ons drieën steken we de weg over naar de praktijk. Cute in mijn armen, gewikkeld in de handdoek, de dierenarts die het verkeer regelt, en de pyjama-vrouw die mijn tas draagt.
"Blij dat ik je nog even mocht leren kennen," zegt de vrouw zachtjes. Cute kucht, en het lijkt even alsof ze antwoordt: "idem dito."
Binnen in de praktijk klinkt zachte klassieke muziek, maar Cute hoort de tonen al niet meer. Onder mijn strelingen droomt ze al van coq-au-vin. Wanneer ik de praktijk uitloop, zie ik haar in gedachten weer door het bos rennen, onvermoeibaar.
Ik stap alleen in de auto. De pyjama-vrouw zwaait vanuit haar appartement op de tweede verdieping. Ik zwaai terug, start de motor, en rijd de weg op. De wereld draait verder.
Reacties
Een reactie posten