Soms stopt de wereld, en tegelijk draait alles gewoon door.
Het gebeurde enkele dagen erna. Mijn hoofd voelde leeg en vol tegelijk.
Ik ging naar de beenhouwer - niet omdat ik zin in vlees had, maar omdat mama en ik moesten eten. Er stond een rij. Mensen babbelden.
De deurbel tingelde telkens iemand binnenkwam.
De toonbank glansde koel en proper.
Een kind drukte met zijn vingers tegen het glas, terwijl het me uitdagend aankeek. Ik nam het waar maar reageerde niet.
"Wat mag het zijn, mevrouw?"
De deurbel tingelde telkens iemand binnenkwam.
De toonbank glansde koel en proper.
Een kind drukte met zijn vingers tegen het glas, terwijl het me uitdagend aankeek. Ik nam het waar maar reageerde niet.
"Wat mag het zijn, mevrouw?"
De vrouw voor me dacht even na. “Doe maar vijfhonderd gram fijne saucissen.”
Het leven ging dus verder! Ongegeneerd. Vanzelfsprekend. Terwijl bij mij alles stilstond.
Ik liep naar huis, te voet zoals zo vaak. Nog steeds aan het bekomen.
Ik kwam op een pad dat ik kende, maar niet had gekozen.
En precies daar, onder een oude treurwilg, gebeurde het. Mijn stappen vertraagden tot ik stil stond. Hij kon geen toepasselijker plaats gekozen hebben, treurend onder de treurwilg.Mijn hart versnelde, en toch was ik niet in paniek.
Ik voelde hem. Mijn papa.
Hij was nog maar net gestorven, maar daar was hij. Onmiskenbaar. Onzichtbaar. Maar oh zo voelbaar.
Het was geen herinnering die passeerde, maar een overweldigende aanwezigheid.
Zó tastbaar dat ik meteen terugdacht aan mijn zwangerschap, aan dat stille weten dat je kind veilig is, gewoon omdat je het meedraagt.
Wel, zo voelde het toen.
Alsof hij in mij was, als een zachte geruststelling vanbinnen.
Een verbondenheid, niet te beschrijven.
De scherpe kantjes van mijn verdriet verdwenen op slag en maakten plaats voor een diepe connectie, die ik nooit eerder had ervaren - en die zo warm aanvoelde als echte liefde.
Ik voelde hem. Mijn papa.
Hij was nog maar net gestorven, maar daar was hij. Onmiskenbaar. Onzichtbaar. Maar oh zo voelbaar.
Het was geen herinnering die passeerde, maar een overweldigende aanwezigheid.
Zó tastbaar dat ik meteen terugdacht aan mijn zwangerschap, aan dat stille weten dat je kind veilig is, gewoon omdat je het meedraagt.
Wel, zo voelde het toen.
Alsof hij in mij was, als een zachte geruststelling vanbinnen.
Een verbondenheid, niet te beschrijven.
De scherpe kantjes van mijn verdriet verdwenen op slag en maakten plaats voor een diepe connectie, die ik nooit eerder had ervaren - en die zo warm aanvoelde als echte liefde.
Vanaf dat moment veranderde alles. Niet dat het gemis minder werd, maar het werd anders.
Zijn fysieke afwezigheid maakte plaats voor iets fijns. Iets constanters.
Alsof ik plots wist: vanaf nu is hij er altijd.
En weet je? Zonder woorden vertelde hij me dat ik hem àlles kon vragen.
Hij zou me nooit teleurstellen. En dat heeft hij ook nooit gedaan.
Vanaf dan kon ik steeds op hem rekenen. Anders dan vroeger, maar méér dan ooit.
Wat begon onder die treurwilg is nooit meer weggegaan.
Dertig jaar zijn verstreken, en er gaan maar weinig dagen voorbij dat we mekaar niet spreken.
Het is gek, want ik ben katholiek opgevoed.
Geen haar op mijn hoofd dat er ooit aan twijfelde of er nog iets was na dit leven.
Intussen weet ik wel beter.
Hij hoeft het niet meer te bewijzen.
Natuurlijk is het niet meer zoals vroeger. Een koffieklets zit er niet meer in.
En op sommige momenten was het hard. Héél hard.
Toen ik trouwde bijvoorbeeld.
Dat zijn de momenten waarop je weer twijfelt.
Omdat je je ineens weer alleen voelt - omdat hij me niet meer naar het altaar kon brengen.
Toch bleef ik nooit hangen in verdriet of gemis.
Ik ga nog vaak langs bij hem, daar waar zijn foto staat, waar zijn lichaam ooit mijn laatste groet kreeg.
Maar eigenlijk hoef ik zelfs niet langs te gaan.
Ik kan hem overal bereiken.
Dan vertel ik hem hoe alles veranderd is in ons dorp, en tegelijkertijd hoe alles in het leven nog steeds draait om wat echt belangrijk is: waarden.
Waarden waarvan hij het levende voorbeeld was.
Ik weet dat hij blij is met mijn dankbare woorden als ik mét of òver hem spreek.
En het is telkens fijn dat hij me - steeds weer - weet te antwoorden op een manier die tegelijkertijd ingenieus en verrassend is.
Soms komt zijn reactie via een onverwacht woord van een vreemde.
Zoals Hugo, die ineens over hem begon, precies op het moment dat ik aan papa dacht.
Niet wat hij zei, maar dàt hij het zei, raakte me.
Zeker omdat ik normaal niet naast Hugo zou zitten, en niet wist dat hij papa gekend had.
Op zulke momenten weet ik: hij vindt altijd een manier om me te bereiken.
En ik glimlach.
Omdat ik weet: hij is er nog steeds. In een andere vorm, maar telkens wanneer ik hem nodig heb.
Een betere therapie bestaat er niet.
Soms denk ik: heb ik hem al niet vaak genoeg opgeroepen?
Misschien zijn er anderen die hem méér nodig hebben dan ik.
En dan maak ik een afspraak met mezelf.
Ik val hem niet meer lastig.
Maar op het moment van de waarheid -
wanneer ik deze planeet verlaat -
dan mag hij me begeleiden.
Naar het echte altaar.
Dan knipoog ik en fluister:
“Deal?”
Reacties
Een reactie posten